Vent

Ik lever veel strijd dezer dagen. Strijd in mijzelf, strijd met wie me aan moet horen.
Een plotselinge barst in mijn verwachtingen, hoewel barst is misschien wel erg lief uitgedrukt, die kun je nog lijmen. Neen, het zijn de scherven die ik om me heen tref. Scherven van een verwachting, een illusie die ik ooit heb gekoesterd, dat “tijd wonden zal helen”. Ik ben afgewezen. Ik ben niet welkom. Voor mij is er voorlopig geen plaats. Waarom, wat heb ik gedaan? Ik weet het niet. Eigenlijk maakt het ook niet zoveel uit. Het doet gewoon pijn.
Ik voel een dubbele pijn, een pijn over het onvermogen dat ik in mij draag de verhouding met iemand op wie ik geef te normaliseren en een pijn over mijn afwijzing. Het raakt me in het diepst van mijn hart.
Urenlang, al een flink aantal dagen, kauw ik erop. Dan weer heftig, dan weer verdrietig en timide. Ik kom er niet uit. Verwijtend, dan weer vol onbegrip, een arm wordt om me heen geslagen, die ik mij zelf niets eens toe sta te voelen. Radeloos ben ik.
Terwijl ik zit te praten, te analyseren, te reageren naar mijn Lief, zie ik het ineens. Ik ben af en toe gewoon weer een vent. Figuurlijk sla ik op tafel, verhef mijn stem, ga krachtig redeneren. Ik voel mijn manlijkheid, val terug in hem en hij.
Oh, wat baal ik toch van mezelf. Van schrik ga ik zachter praten, onderdruk mijn opwelling. Waarom laat ik op dat soort momenten toch weer mijn andere wezen zo zien. Ik twijfel ineens aan me zelf, aan mijn empathie, mijn luisterend oor. Is het een kunstje? Voel ik het echt wel? Valt de man in mij ooit te beheersen of moet ik accepteren dat zoiets misschien pas na heel veel jaren echt kloppend in orde komt.
Het gesprek loopt door, dan weer voel hij zich een vent, druk doende met gebaren te overtuigen, op zoek naar wegen zijn recht te bewijzen. Dan weer voelt ze zich vrouw, luisterend en invoelend. Op zoek naar oplossingen, bereid zich tot in het extreme weg te doen vlakken.
Het is een raar fenomeen. Ik kan er niet goed mee uit de voeten, in het normale doen vrouw met alle sociale kenmerken om dan – is het onder spanning?- in een klap om te slaan naar de man in mij die, strijdlustig en gedreven bezig is zijn zin door te drukken, al is het maar figuurlijk.
Twijfels houden me gevangen, tot welke prijs buig ik me in alle bochten. Wat kost het om eerst rust in de zo verstoorde gevoelens te laten ontstaan. Geeft hoop voedsel aan de verwachting dat tijd wonden heelt, of moet ik er nog eens op afstappen, over mijn gevoel heen dat forceren alleen maar meer schade geeft. De man en vrouw in mij twijfelen over en weer. Het “ik leg het je nog een keer uit” van de man, worstelt met de plaatsvervangende pijn van mijn vrouwgevoel, het ”kom op de bank dan praten we er over”.
Ik twijfel als het weer even rustig is in mijn hoofd waar ik mijn tissues voor moet gebruiken, voor de tranen op mijn wang of de testosteron waar mijn vuist denkbeeldig op het tafelblad sloeg.
Tijdens het poetsen, het opzij leggen van de scherven, vervaagt de man achter me weer, neemt mijn oude ik mijn gedrag niet meer over. Ik kan weer zijn wie ik voel dat ik ben.

Advertenties