Geaccepteerd

Het is lente, tijd voor mijn hoge zomerse sandalen, mijn pumps, een mooie jurk, een strak shirtje. Niets meer te verhullen, mijn benen, mij boezem, mijn billen.

Oh, wat zie jij er goed uit! Wat ben je veranderd! Het doet je goed! Zeker sinds ik twee maanden geleden me voor het eerst met mijn nieuwe kapsel vertoonde krijg ik weer opnieuw volop complimenten. Het is net of ik na meer dan een jaar “finale” transitie in Nederland nu echt af ben. Ieder compliment opnieuw geeft me opnieuw dat gevoel. Een gevoel er in geslaagd te zijn de jarenlange minder zichtbare transitie -vrouwelijk in het buitenland, androgyn in eigen land- in de afgelopen anderhalf jaar omgezet te hebben in een mooie vrouw die er wezen mag, een vrouw waar mijn Lief trots op is en zich graag mee vertoont –niet voeren, geen handen door de tralies, niet aanraken . Een mooie vrouw, nou ja, op een storend puntje na, maar dat voel ik alleen en op Lief C na, ziet verder toch niemand dat. Een geslaagde transitie en vooral een meer dan geslaagde acceptatie.

Terugkijkend in de tijd heb ik me tijdens de laatste, Nederlandse jaren, van mijn coming-out eigenlijk voortdurend geaccepteerd gevoeld. Of werd ik toch eigenlijk meer gedoogd in mijn nieuwe rol?
Natuurlijk, het is een bijzonder verhaal, telkens opnieuw als we er mee komen compleet onverwachts. Een warme ontvangst, hoewel het had maar zo ook steeds opnieuw anders kunnen lopen. Ik was er serieus bang voor, ineens ook in mijn oude rol niet meer serieus genomen te worden, afgerekend te worden op mijn kleurloze nukkigheid. Bang afgewezen te worden, deuren dicht te doen slaan. Zo achteraf is dat eigenlijk verschrikkelijk meegevallen. Was ik onrealistisch bang? Moest ik de kat uit de boom kijken? Ik weet het niet?

Nu, met de meeste coming-out acties inmiddels al weer een jaar, meer of minder, achter de rug, kan ik ook eens terugkijken. Is mijn “uit de kast” echt wel zo geaccepteerd?

Niet verrassend is het beeld vrijwel volledig overmatig positief. Bijna alle contacten waar ik, of eigenlijk we, ooit uit de kast kwamen, accepteren ons nog steeds. Het contact is warm, vaak belangstellend, en ook naar mijn Lief, open en zonder aarzeling.

Bij mijn broers en zusters is de slechte ontvangst helaas voor geen meter verbeterd. Natuurlijk is het niet alleen mijn andere presentatie die maakt dat ze mij structureel vergeten en negeren. Het was misschien zelfs gewoon de zoveelste druppel. Zelfs als het over het uitstrooien van de as van onze ouders gaat, moet ik nog smeken om informatie. Even lijken ze te vergeten dat het ook mijn ouders zijn die ooit zullen worden uitgestrooid, die nu nog gezamenlijk op de begraafplaats, in het dorp van mijn jeugd, in de urnenmuur staan. Nog steeds geeft het mij het gevoel uit het familienest te zij gemikt wegens de door mij veroorzaakte schandvlek, een te grote vervuiling, teveel schade aangebracht aan de goede naam.

Toch, af en toe, blijkt er een weerstand in de acceptatie, verklaart iemand dat hij/zij mij toch gewoon als man blijft zien. Wordt eerst in een reeks aan gesprekken aan mijn Lief alle informatie gevraagd met een ondertoon van “hoe kun je nu nog jullie relatie in stand houden” en wordt daarna de mail structureel niet meer beantwoord, wordt een afspraak voor een volgend bezoek, ondanks aandringen, nog steeds niet gemaakt.

Soms onverwacht, op straat, spreekt iemand me aan, complimenteert me met mijn nieuwe kapsel, geeft aan dat het goed staat, plaatst me zonder veel moeite in het goede vakje. Belt een verder familielid van mijn Lief en blijkt de terloopse coming-out toch goed geland. Altijd wel kent men een verhaal van een transitie. Heel vaak een mooi verhaal, waarover warm wordt verteld.
Bij de kinderen in onze buurt, loopt het proces gewoon. Ze zijn niet anders gewend. Soms verder weg vraagt de aanvaarding en acceptatie meer tijd, kent meer ups and downs. Ik blijf hopen dat het zal leiden tot volledig aanvaarding, ooit nog eens.

Terugkijkend voel ik me nog steeds geaccepteerd, van alleen gedogen kun je gewoon niet meer spreken. Toch blijf ik alert, immers ook al een tijd geaccepteerd, is niet alles zo zeker als het lijkt.

Advertenties

Dubbel

“Ik ben Diederique, ik ben een transvrouw met een lesbische relatie”.
Na mij stelt mijn collega van die dag zich op een vergelijkbare manier voor. De klas is muisstil. De opening, zo direct, hadden ze kennelijk bij het gesprek dat we met ze voeren over LGBT acceptatie en respect niet verwacht.

Ik ben dubbel. Geleidelijk stel ik me maanden eerder aan mijn schildervriendinnen voor door, met kleine reacties en opmerkingen tussen het kwasten door, een plaats als vrouw -avontuurlijk, oudere leeftijd, vrouwelijke partner, kinderen en kleinkinderen- te veroveren. Mijn trans zijn laat ik buiten het verhaal.

Toen mijn transitie vijftien maanden geleden in de laatste meest zichtbare en onomwonden fase belandde, vond ik dat in de beperkte kring waarin ik me vertoonde iedereen best mocht weten, moest weten zelfs, van mijn genderdysforie. Ik was gewoon bang dat je “het” toch nog zou zien. Het was een excuus om als “bijzonder” figuur nog een tijd geaccepteerd te blijven.

Naar mate de tijd vordert en ik steeds vaker, anoniem, gewoon als vrouw aan het leven deelneem, vind ik het steeds minder nodig dat vreemden “iets” weten. Wie het weet en serieus belangstellend is, welkom. Voor de rest is er wat mij betreft niemand die er verder iets mee te maken heeft. Toch blijft het me wel bezighouden, degene die het weten en die er verder niets mee doen. Ik voel me er niet prettig bij. Bang toch ineens als kermisattractie te worden bekeken, niet beoordeeld te worden op wie ik nu ben, in plaats van gezien te worden als diegene die ik ooit was.

Een goede vriendin confronteert me met mijn dubbelheid, “ben je niet gewoon bang?” Schaam ik me voor mijn genderdysforie? Ze gaat nog een stap verder, “ontneem je je nauwe omgeving niet de mogelijkheid van een eigen identificatie”. Ik denk dat ze gelijk heeft –ze is een expert met nog grotere emo-rollercoaster vrije val ervaring. Hoewel, tegenover die eigen identificatie van de andere, dat eeuwige excuus van mijn transgender zijn, schuilt daar ook niet gewoon angst in? Is er dan niet wat weinig oog voor het voorkomen van het genante van het ineens en plein public voor onbekenden, niet meer vrouw maar gewoon verklede man blijken te zijn.

Het zit in een klein hoekje –van een dakpan- het verschil tussen wie het wel en wie het niet hoeft te weten. We laten het bovenste houtwerk van ons huis opnieuw schilderen. Het is de eerste klus van de schilders bij ons. Dagenlang aanvaarden de schilders, net als de cv monteur een paar weken eerder, mijn Lief en mij als de twee dames. Tot een van hen per ongeluk bij het schilderen van de daklijst een buurdakpan beschadigd blijkt te hebben en een lekkage veroorzaakt.

De loodgieter komt even de dakpan vervangen en weer goed in rij leggen. Hij komt vaak bij ons over de vloer, een huis van 30 jaar blijft nu eenmaal niet zonder gebreken. Wat verdoofd na mij aanschouwd te hebben, vraagt hij de buurvrouw om toelichting op mijn vernieuwde aanwezigheid. Hij was mij na de laatste keer –skinny jeans, laarsjes- op het dak niet meer tegen gekomen. Discreet verteld ze hem van de transgender buurman die nu als vrouw door het leven gaat.

Vrouw, transvrouw, transseksuele vrouw. Als ik over een kleine driehonderd dagen in Thailand na een paar uur “afwezigheid” weer bij mijn positieven kom heb ik een nieuw dilemma. Wat ben ik nu echt? Een van mijn Rotterdamse vrienden met veel transvrouwen in zijn “vriendenlijst” maakt het me extra moeilijk. “Jullie noemen je allemaal anders”.

Volgens mij ben ik dan nog meer “vrouw”, in de LGBT voorlichting misschien “transvrouw”. Dubbel zal ik nog wel even blijven.

Scenario

Alstublieft mevrouw. De dame achter de tafel reikt me het stembiljet aan. Ik ben even verdoofd. Is dit nu alles? Heb ik me hier zo op voorbereid?

In het begin van mijn transitie, toen ik net “om” was, hield ik overal rekening mee. Het alleen maar “mevrouw” genoemd worden was voor mij niet meer genoeg. Ik wilde meer, in wilde gewoon nooit meer met “meneer” aangesproken worden.
Dagenlang heb ik me een zinnetje in mijn hoofd geprent dat ik bij die verafschuwde gelegenheid dan uit zou spreken. “Ik begrijp uw vergissing, maar ik heb liever dat u me met Mevrouw, aanspreekt!”. Nu inmiddels al weer meer dan een jaar verder kan ik maar een ding vaststellen. Het zinnetje is nog steeds niet uit de verpakking gehaald. Dit noodscenario heb ik nooit meer nodig gehad. Kennelijk heb ik het zinnetje zo vast beraden uit mijn hoofd geleerd dat niemand het meer in het hoofd haalt deze vergissing te maken.

Je hele transitie, tot eindelijk de eerste aanblik en de blik in je papieren echt in orde zijn, worstel je met het dubbelspel dat je speelt. Ik tenminste wel. Je bent wat je op papier niet bent, door je uiterlijke schijn schemert je verleden. Eigenlijk heb ik van dat laatste inmiddels geen last meer, van dat eerste, mijn permanente identiteitsfraude veel meer.

Mijn hele transitie lang heb ik in mijn achterhoofd voor allerlei gelegenheden “vlucht of vecht”scenario’s in mijn achterhoofd gehad. Hoewel vaak vluchten niet echt de oplossing is. Door mijn regelmatig reizen en ook in buitenlanden meer dan alleen maar op vakantie zijn, moet ik geregeld dealen met autoriteiten. Op een vertwijfelde luchtvaartemployé in Quatar na, heeft mijn verschijning eigenlijk nog nooit problemen op geleverd. Kennelijk was de combinatie van absoluut niet-gelijkend paspoort met Gender-ID voldoende om harten te doen smelten.

Toch heb ik altijd nog een reactie in mijn hoofd waarbij ik de betrokken official “gelijk geef en voorstel even buiten de grote stroom de kwestie toe te lichten”. Nu maanden later, zinnetje nog nooit gebruikt, nou ja op die ene keer in de trein na. En toen hielp de benadering me niet eens. Weer een vrijwel onnutig noodscenario. Nog een paar maanden, dan is ook dat niet meer nodig, kan er weer een scenario in de vuilnisbak.

De gemeenteraadsverkiezingen breken aan. Ik besluit van mijn stemrechtgebruik te maken maar kies, om geharrewar met kieslijsten te voorkomen, ervoor de identiteitsdiscussie niet bij het stembureau om de hoek te gaan voeren. Nu met mijn nieuwe volledige gelijkende ID duikt er een nieuw uitdaging op. De foto lijkt, maar die M/M klopt wel met de kieslijst, maar niet met de vertoning voor de tafel in het stembureau. Samen met mijn Lief breng ik mijn stem uit in het Stadskantoor. Dichter bij de bron om mijn identiteitsfraude te weerleggen, kan ik bijna niet zijn.

Een blik op mijn stempas, een half oog voor mijn ID, een vinkje in de kiezerslijst en hup met een vriendelijke knik krijg ik het formulier in mijn hand, “alstublieft Mevrouw”.

Heb ik daarvoor nu alle denkbare oplossing en aangifte scenario’s doorlopen? Ik denk dat het tijd wordt te beseffen dat zelfs de laatste noodscenario’s, verdedigingslinies, rijp zijn voor de sloop.
Tot ik thuis kom. Een eenvoudige brief van de gemeente brengt mijn euforie weer terug bij de grond. Alle zintuigen staan weer op scherp. “Hr D…..”. Wat is dit nu voor onzin. Hier heb ik toch niet omgevraagd? Letterlijk!

Mijn Lief vroeg twee dagen eerder een nieuwe Nee/Nee sticker aan bij de “Stadwinkel”, het gemeentelijk service punt voor de burgers. Bij de aanvraag vult ze keurig haar naam, initialen en adres in. Hoe wreed om te zien dat de gemeentelijke stadswinkel in een vlaag van geringe emancipatorische gevoelens haar gegevens overruled en botweg mijn vervloekte GBA gegevens gebruikt. Alsof het GBA gewoon een klantenbestand is, een opschrijfboekje als dat van een oude kruidenier.

Ik dien een klacht in bij de Gemeente, gering gevoel voor emancipatie en misbruik van GBA, althans voor mij als hypergevoelige transgender, als eenvoudig en niet noodzakelijk adresbestand.

Nood-scenario’s, verdedigingslinies. Nee/Nee, Voorlopig zet ik ze nog niet bij de vuilnisbak.

Vent

Ik lever veel strijd dezer dagen. Strijd in mijzelf, strijd met wie me aan moet horen.
Een plotselinge barst in mijn verwachtingen, hoewel barst is misschien wel erg lief uitgedrukt, die kun je nog lijmen. Neen, het zijn de scherven die ik om me heen tref. Scherven van een verwachting, een illusie die ik ooit heb gekoesterd, dat “tijd wonden zal helen”. Ik ben afgewezen. Ik ben niet welkom. Voor mij is er voorlopig geen plaats. Waarom, wat heb ik gedaan? Ik weet het niet. Eigenlijk maakt het ook niet zoveel uit. Het doet gewoon pijn.
Ik voel een dubbele pijn, een pijn over het onvermogen dat ik in mij draag de verhouding met iemand op wie ik geef te normaliseren en een pijn over mijn afwijzing. Het raakt me in het diepst van mijn hart.
Urenlang, al een flink aantal dagen, kauw ik erop. Dan weer heftig, dan weer verdrietig en timide. Ik kom er niet uit. Verwijtend, dan weer vol onbegrip, een arm wordt om me heen geslagen, die ik mij zelf niets eens toe sta te voelen. Radeloos ben ik.
Terwijl ik zit te praten, te analyseren, te reageren naar mijn Lief, zie ik het ineens. Ik ben af en toe gewoon weer een vent. Figuurlijk sla ik op tafel, verhef mijn stem, ga krachtig redeneren. Ik voel mijn manlijkheid, val terug in hem en hij.
Oh, wat baal ik toch van mezelf. Van schrik ga ik zachter praten, onderdruk mijn opwelling. Waarom laat ik op dat soort momenten toch weer mijn andere wezen zo zien. Ik twijfel ineens aan me zelf, aan mijn empathie, mijn luisterend oor. Is het een kunstje? Voel ik het echt wel? Valt de man in mij ooit te beheersen of moet ik accepteren dat zoiets misschien pas na heel veel jaren echt kloppend in orde komt.
Het gesprek loopt door, dan weer voel hij zich een vent, druk doende met gebaren te overtuigen, op zoek naar wegen zijn recht te bewijzen. Dan weer voelt ze zich vrouw, luisterend en invoelend. Op zoek naar oplossingen, bereid zich tot in het extreme weg te doen vlakken.
Het is een raar fenomeen. Ik kan er niet goed mee uit de voeten, in het normale doen vrouw met alle sociale kenmerken om dan – is het onder spanning?- in een klap om te slaan naar de man in mij die, strijdlustig en gedreven bezig is zijn zin door te drukken, al is het maar figuurlijk.
Twijfels houden me gevangen, tot welke prijs buig ik me in alle bochten. Wat kost het om eerst rust in de zo verstoorde gevoelens te laten ontstaan. Geeft hoop voedsel aan de verwachting dat tijd wonden heelt, of moet ik er nog eens op afstappen, over mijn gevoel heen dat forceren alleen maar meer schade geeft. De man en vrouw in mij twijfelen over en weer. Het “ik leg het je nog een keer uit” van de man, worstelt met de plaatsvervangende pijn van mijn vrouwgevoel, het ”kom op de bank dan praten we er over”.
Ik twijfel als het weer even rustig is in mijn hoofd waar ik mijn tissues voor moet gebruiken, voor de tranen op mijn wang of de testosteron waar mijn vuist denkbeeldig op het tafelblad sloeg.
Tijdens het poetsen, het opzij leggen van de scherven, vervaagt de man achter me weer, neemt mijn oude ik mijn gedrag niet meer over. Ik kan weer zijn wie ik voel dat ik ben.

Ravijn

Wat kan een mens, ik! zich vergissen.
Al weken, misschien wel maanden loopt alles in en om me heen perfect. In een thema op een van de fora over moodswings en emotionele rollecoasters schrijf ik vol trots dat het gelukkig steeds minder en milder wordt.
En dan ineens…
Mijn hoofd voelt als een bowlingbaan waarop alle pins lukraak in een keer vallen. Vallen zonder strike. Een chaos en je krijgt er niet eens punten voor.
Als ik even kort wat licht in de tunnel zie, tref ik mezelf aan op de vloer naast mijn bed. De tissues uit de doos liggen om me heen verspreid, gebruikt.
Wat een paar dagen geleden zo mooi leek te gaan lijkt ineens in duigen. Een dagje shoppen met mijn Lief, brengt me in extase thuis. Zonder gekibbel, ieder haar “pas”kans, slenterend, bewonderend en spiegelend brengen we de volle dag zonnig door. Het resultaat, een mooie uitbreiding van de kledingkast, een nieuwe tankini, bh’s, mooie zomersandaaltjes, wat make-up en nog veel meer. We maken plannen voor onze inrichting. Het leven lacht.
En dan ineens, een scheuring. Ik dacht dat het elders in mijn omgeving geleidelijk beter ging, dat scherpe kantjes begonnen te vervagen. Dan wordt duidelijk dat er voorlopig daar geen plaats voor me is. Dat het helen van pijn veel meer tijd vraagt dan ik dacht. Ik kan het niet geloven.
Mijn hoofd draait dol, ik zie afgronden op doemen. Ik leg ze voor aan mijn Lief. Zij ziet wat gebeurt toch anders. Ik voel me niet herkent. Moedeloos kruip ik mijn bed in. Daar is het tenminste warm. Na een nacht zie ik nog meer ravijnen om me heen. Iedere stap die ik zet is tot mislukken gedoemd, althans zo denk ik. Nog steeds voel ik geen herkenning om me heen. Ik sta alleen, ik voel me alleen.
Het schokt me, ik heb het koud, ik ril. Ik kruip weg in een hoekje, ik voel een knak in me. Even later ben ik in tranen. Stromend langs mijn wangen. Een doos tissues later, loop ik schokkend droog, mijn tranen zijn op, mijn lijf schokt nog steeds. Het is alsof mijn emotionele rollercoaster plotseling met tomeloze vaart naar beneden raast, mijn zonnige rit verandert in mijn hoofd in een spookrit vol ongrijpbare gevaren. Ik raas langs ravijnen vol onvermoede spookbeelden.
Een knuffel en een schouder verder kom ik heel langzaam weer wat bij. Remt mijn rollercoaster af, breekt er weer wat licht in mij door.
Ik schrik van mezelf, wat is mijn emomasker broos, zelfs na drie en een halfjaar onveranderd hormonengebruik, word ik nu en dan toch nog mee gesleurd door mijn rollercoaster karretje. Nog bijna tien maanden dan moet ik een maand mijn hormonen stoppen, kom ik als het ware in de overgang. Ik ben weer eens gewaarschuwd, moodswings grijpen me nog steeds aan.

Vol

Opeens, terwijl ik de vraag beantwoord,schiet ik vol. Zoals zo vaak heb ik het niet zien aankomen. Het geeft in elk geval het gesprek een extra dimensie.
Een van de leerlingen in de groep vraagt hoe dat nu is voor de partner als je uit de kast komt als transgender. Meteen schieten beelden door mijn hoofd. Ik zie en voel wat ik begin jaren tachtig mijn Lief heb aangedaan, maar ik hoor ook de gesprekken terug die ik af en toe via de mail heb met een paar transvriendinnen.
Samen met een Rainbowcity 010 collega ben ik een aantal uren in gesprek met klassen op een middelbare school.
Een eind op streek in mijn transitie –en met coachervaring in veranderingsprocessen- kan ik me steeds beter in de gevoelens van partners verplaatsen. Er valt een wereld weg, alsof de vloer onder je opent. Al voel je dat er iets bij de ander niet klopt, als partner is het alsof je toekomst je wordt ontnomen. Alles wat ooit zeker was, lijkt ineens niet meer geldig. De eerste keer, en vele keren daarna, je hart slaat over, het zweet breekt uit, geen oog dicht kunnen doen, bijna onomkeerbaar gespannen, je blik versmald, zo niet feitelijk, dan wel gevoelsmatig.
Het is een rouwproces. Woede, verbijstering, wat is de zin nog? Kortom naar PTSS, Fight or Flight.
Lief en ik hebben geluk gehad, terwijl ik mijn geheim in stukjes en brokjes vertel, doorlopen we regelmatig het vlucht of vecht scenario. Telkens weer een afweging van gevoelens voor elkaar, van zekerheden voor het gezin, van reacties van omgeving, familie. Steeds meer lukt het samen een lijn te vinden die ruimte geeft aan mijn gevangenschap in mijn eigen lijf. Iedere keer opnieuw moet mijn Lief weer schakelen, afwegingen maken, fysieke reacties een plaats geven.
Heel langzaam, stapje voor stapje, doorlopen we mijn proces, een boemeltrein. Pas na drieëntwintig jaar durven we gas te geven, zetten we een stip aan de horizon, maken we het spoorboekje opnieuw. Mijn Lief heeft haar eigen proces, een eigen transitie eigenlijk. Telkens weer koppelen we onze reizen opnieuw aan elkaar.
Terwijl ik de vraag beantwoord, kijk ik achterom. Ik zie mijn proces achter me vervagen in het verleden, alleen markante punten zijn nog te herkennen. Punten vol pijn en euforie. Ik zie ook het spoor van de strijd die mijn Lief heeft geleverd, het opvangen van mijn pijn, het regisseren van het gezin waarin ze wist hoe anders ik was, het ruimte bieden voor mij en mijn “koffer”, de twijfel of het ooit over zou gaan?
Een harde waarheid voor mijn Lief en al die andere partners, het gaat gewoon nooit over en –een idee uit de jaren zestig- gek was ik evenmin. Heel langzaam drong het tot ons door. Vluchten of vechten. Dealen met het andere gevoel, met die partner in dat verkeerde lijf, met die lesbische vrouw naast je, die zo makkelijk voor een heteroman versleten wordt.
De grote strijd die je als transpartner levert, is de vraag of je ondanks verdriet, ondanks het bijna niet te begrijpen verschil, toch de keuze maakt mee te groeien. Je zet kleine stapjes, groeit langzaam mee in dat beangstigende avontuur.
Er zijn er maar weinig die de strijd overleven, die het gesprek opnieuw met elkaar aangaan en alles wat ooit al eens in de eerste verliefdheid is beleefd, weer herbeleven en een nieuwe plaats geven.
Ik slik een brok weg als ik denk aan de lange weg die we samen hebben afgelegd, de transitie van mijn Lief, die juist dezer dagen een mooi voorlopig eindpunt leek te vinden in haar trots als “vrouw met een lesbische relatie” op die “andere vrouw in dezelfde relatie”. Een steelse knuffel op de drempel van de voordeur “ Lief, sms je even hoe het is gegaan?”
Leek te vinden… Een plotselinge gebeurtenis van buitenaf dwingt tot bezinning. Vechten of vluchten komt onmiddellijk weer om de hoek. Naar buiten, maar meteen ook weer onderling. De balans blijft broos.
Ik slik nog een keer als ik denk aan mijn mailvriendinnen en hun partners, nog volop in strijd met elkaar, de rouw, de verbijstering, de twijfel of het ooit nog goed zal komen en de zekerheid dat een gezamenlijke transitie, niet weken of maanden, maar simpelweg jaren vraagt.
Hoeveel relaties nemen de tijd op elkaar te wachten, de trein te remmen, net zo lang tot je samen het proces in kunt gaan. Te wachten tot je weer van elkaar kunt genieten, ook weer kunt waarderen in je uiteindelijk toch niet meer verkeerde lijf.
Even is het stil na mijn antwoord vol roering en emotie, heel even heb ik overgebracht wat de strijd om uit de kast te komen voor een transpartner betekent.

Tutten en twijfelen

Terwijl ik twijfelend voor onze gezamenlijke kledingkast sta, dringt het ineens tot me door. Na maanden aandacht voor mijn passabiliteit –kom ik voldoende over als vrouw- is dat thema verworden tot een open deur. Ik ben een vrouw, zelfs een die op twee letters scoort in de LGBT reeks. Neen, het thema dat me in twijfel stort, is de alledaagse vraag: Wat doe ik aan vandaag? Wordt het een jurk, een rok, of toch maar mijn skinny jeans. Daarboven of onder, een trui, een blouse, een shirtje, platte pumps, hakjes, laarsjes of sandalen. En dan als afmaker, sierraden, veel of weinig of alleen make-up?

Of ik er vrouwelijk genoeg uit zie, speelt niet meer. Wat me bezighoudt, bij de afspraken op dit moment, is of ik wel voldoende gekleed ben. Is het toch niet overdressed? Of juist te weinig. Aan welk stereotype zal ik vandaag eens voldoen. Ben ik knuffelbaar genoeg voor een klas vierdeklassers of kan ik beter toch mijn stiletto’s aan doen, zoals mijn vrouwelijke partner voor de klassen van die dag als grapje voorstelt. Kun je in ieder geval de vierdeklassers een beetje van het lijf houden. Of toch maar, lesbo-rolconform, mijn bergschoenen en mijn tuinbroek?

Iedere dag wat anders. Dan weer draag ik bij in de ontmoeting met een Rotterdamse wijk, dan weer spreek ik na het bezoek aan mijn logopediste af met een vriendin die ik tot nu toe alleen maar digitaal tegenkwam en pik gelijk een brief op bij de VU –wat trek je aan naar de VU als je er eigenlijk niet voor een gesprek moet zijn?

Mijn volle week begint met een vriendin die op bezoek komt, gepland, terwijl we gelijk ook de cv-man over de geleidelijk steeds nattere vloer hebben. Als ik ’s ochtends mijn mail open maak, stellen vrienden voor morgen langs te komen. Pas als ik de afspraak bevestig, lees ik “tot straks”. Het dringt tot me door dat gisteren hun “morgen”, gewoon in het hier en nu “vandaag” betekent. Het past gelukkig prima, kort nadat de eerste vriendin na lunch en thee wegrijdt, is ook de cv man voorlopig klaar. Als de volgende vrienden binnenkomen hebben we het gezellig tot het eind van de middag. Maar oh, die ochtend, zo’n gemengde dag, wat trek ik hierbij nu weer aan?

Ik begin de dagen daarna, samen met andere Rainbow City Rotterdam vrijwilligers 2 dagen met gesprekken met 4e klassen van een middelbare school. Spannend, ik heb er zin in. Zeven maal de persoonlijke verhalen van mij en mijn voorlichtingspartners, zeven gesprekken, zeven keer een coming-out. Tussendoor heb ik eerst nog mijn tekenvriendinnen beloofd bij de volgende tekenles mijn hoofddoekje verwisseld te hebben voor mijn nieuwe kapsel. Leuk, nog een kleine coming-out, zo tussendoor. En weer die vraag, wat trek ik vandaag nu weer aan.

Dit gaat nog wel even door, twijfelen voor de spiegel, tutten voor de kledingkast. Tutten, twijfelen, ik lijkt wel een vrouw.
Het is dat het hoofdmotief van mijn contacten met anderen buiten de deur is, acceptatie, respect, verdraagzaamheid. Ik kan in ieder geval vooral mijzelf zijn, meer komt er uiteindelijk toch niet uit mijn -kleding- kast.

Vorige Oudere items